“Wielrennen is leuk, hard fietsen nog mooier, en het gehele spektakel naar de kloten rijden ultiem wielergenot.” Een straffe quote van Nederlander Gert Jakobs, ex-profrenner in een tijdperk dat we liever snel willen vergeten. Maar de 54-jarige Tielenaar heeft wel nog iets te zeggen. Een boodschap om over na te denken.

Gert Jakobs: “Ik ben begonnen met fietsen omdat ik niets liever wilde dan op mijn fiets rondjes te fietsen. Met de kop in de wind, frisse lucht inademen, krom gebogen over het stuur zo hard mogelijk trappen. Ik werd lid van WSV Emmen en reed mijn eerste wedstrijdjes al als 8-jarige. Ik was helemaal niet zo goed, en mijn fiets was ook ietwat aan de grote kant. Het zadel met speciale constructie zette ik zo laag mogelijk, dan kon ik net bij de pedalen. Dat vond ik geen probleem, want ik had gewoon vreselijk veel lol in dat fietsen. Zo doorliep ik alle jeugdcategorieën, en ieder seizoen werd ik beter. Op mijn 12e kreeg ik een modernere 2e handsfiets van welgeteld 500 gulden, waar vader Jan voor gespaard had. Hij durfde het bijna tegen moeder Harmke te vertellen dat hij zoveel geld had uitgegeven voor de fiets van kleine Gert.”

“Ik dacht dat hij vanzelf trapte, een echte racekar. Ik werd beter en beter en ging ook wedstrijden winnen, bij de nieuwelingen, junioren en amateurs. Zelfs heel erg veel. Mijn ouders waren er in de jeugdcategorie voor mij, brachten mij naar de training en naar de wedstrijden. Maar ze lieten mij gewoon Gert zijn, want ze begrepen ook wel dat het plezier voorop moest staan, en dat trainen uiteraard ook moest, maar dat het wel vanzelf moest gaan. Gert hoefde je niet achter de kont te zitten om te trainen, dat ging vanzelf en zo hoort dat ook. Toen ik beter werd, zei ik tegen mijn pa: ‘Ik demarreer gelijk, en jij geeft mij elke ronde weer de voorsprong door; en als ik het peloton op een rondje zet, dan klets ik er overheen en ga je mij weer de voorsprong doorgeven.’ Er waren ook mensen die dat bestempelden als fanatiek, maar mijn pa deed wat ik hem vroeg, en bemoeide zich verder nergens mee. Ja, thuis gaven ze mij de juiste handvaten, de rest moet toch uit jezelf komen. En je moet gefaciliteerd worden vanuit de club, bij WSV Emmen zat dat prima in elkaar.”

Vlaggenschip

Gert Jakobs: “Vorige maand was ik te gast bij het programma ‘Fryslan Hjoed’ op ‘Omrop Fryslan’ en hoorde ik dat veel Friese wielerverenigingen moeite hebben om jeugd te enthousiasmeren voor het wielrennen, dan wel draagvlak te creëren om jeugd te behouden voor de club. In enkele gevallen is zelfs de wielervereniging ter ziele gegaan. Ik schrok daarvan, want de jeugd is onze toekomst. Bij deze meisjes horen de toekomstige Chantal Blaak, Marianne Vos en Anna van der Breggen te fietsen, en bij de jongens hoort de toekomstige Tom Dumoulin, Bauke Mollema of Niki Terpstra te rijden.”

“Ik vind dat er bij elke wielervereniging een vlaggenschip boven moet hangen, dus een elitekorps met goed opgeleide amateurwielrenners uit de eigen vereniging, een vlaggenschip dat ook de uitstraling geniet zoals dat hoort bij een elitekorps. Dan gaan jonge wielrenners en wielrensters de motivatie hoog houden, en blijft de wil om dat te bereiken groot.”

Zo werkt het niet!

Gert Jakobs: “Nu heb je ook verenigingen die een geweldige jeugdafdeling op de been hebben, en vervolgens roepen dat ze het geweldig voor elkaar hebben. Als je dan vraagt hoeveel nieuwelingen, junioren en amateurs er van hun club zijn doorgebroken, dan wordt er verontwaardigd gereageerd en krijg je het antwoord dat ze allemaal afgehaakt of gestopt zijn, en dat een enkele elders is gaan fietsen. Dan denk ik dat er iets niet goed gaat, want een brede jeugdafdeling moet garant staan voor enkele toppers aan de bovenkant van de piramide, en niet de bakermat vormen voor wat wij ‘Sjaak Afhaak’ noemen.”

“Ik heb zelf de kans gekregen om te slagen als profwielrenner. Ik heb alle jeugdcategorieën met veel plezier doorlopen en dat maakte dat ik nog zeer gemotiveerd was toen er echt getraind moest worden. Nu rijden wij met jonge kinderen 2 wedstrijden in een weekend, vliegen we van Roden naar Maastricht, en van Venlo naar Veendam, zetten we ze in de winter op een crossfiets, rijden weer van Sint-Michielsgestel tot Surhuisterveen, of tot in Geraardsbergen, en tussendoor rijden we ook nog even langs Omnisport in Apeldoorn. We hebben een NK voor 8 tot 14-jarigen, huldigen ze nadat het Wilhelmus heeft gespeeld in een rood-wit-blauwe trui en denken dat de nieuwe Joop Zoetemelk en Leontien van Moorsel zijn opgestaan. Maar zo werkt het natuurlijk niet, uitzonderingen daar gelaten die de regel bevestigen.”

Klappen van de zweep

Gert Jakobs: “Enige relevantie is hier wel op zijn plaats. Nederland heeft altijd toppers voortgebracht. Waarom zetten wij deze schat aan ervaring niet in bij de verenigingen? Mannen en vrouwen die het klappen van de zweep kennen, en ook durven zeggen wat wel en niet goed gaat, wat wel en niet goed is voor onze jeugd. Want ieder individu is ook nog anders, daar moet je tijd in investeren. Daar moet je mee bezig zijn op een inspirerende, motiverende manier. Onze toppers van weleer hebben net de natuurlijk gave om het van de praktische kant te bekijken, door een eerlijke objectieve bril.”

“Nu zie ik kinderen rondfietsen op een zelfde soort fiets als Anna van der Breggen, met carbonwielen waar Tom Dumoulin zijn tijdrit mee fietst, en met tubes waar Van der Poel iedere wedstrijd mee wint. Alleen zijn onze kinderen zover nog lang niet, om daar te komen mogen we de realiteit niet uit het oog verliezen. We moeten investeren in ervaring, in – zoals gezegd – mensen binnen een vereniging die het klappen van de zweep kennen, en gezamenlijk met elkaar het goede niveau van de Nederlandse wielersport bewaken.”

Fotomateriaal: Gert Jakobs.

207
SHARES


Reageren? Laat hieronder uw bericht achter!

Share This